Deze werkvorm behoort tot de vierde categerie: studenten activeren als bron van instructie voor elkaar.

Deze werkvorm is erg geschikt bij werk waar fouten relatief eenvoudig geclassificeerd kunnen worden. Hierbij valt te denken aan een vertaling in een moderne vreemde taal. Laten we uitgaan van het maken van een opstel in die vreemde taal. De leraar heeft de fouten aangegeven door de woorden te onderstrepen.

Studenten gaan individueel met hun opstel aan de slag door zich bij elke fout de vraag te stellen wat voor type fout hier gemaakt was (bijvoorbeeld werkwoordsvorm, geslacht, voornaamwoorden). Als dit klaar is kunnen studenten als tweetal uitwisselen. De studenten controleren hierbij het werk van elkaar.

Het classificeren heeft als doel de student inzicht te geven waar de fouten vandaan komen. Welke theorie moet worden herhaald of worden verhelderd? Het biedt de student de kans om theorie en oefeningen over dat onderwerp te herhalen of nog instructie te vragen over dat onderwerp. In het ideale geval kan het ook voorkomen dat studenten elkaar al inhoudelijk uitleg kunnen geven over de gemaakte fouten.

De docent kan vrij eenvoudig de top 2 van meeste gemaakte fouten bij alle studenten inventariseren en zo zien welke behoeftes er binnen de groep bestaan. Afhankelijk van de spreiding van de gemaakte fouten kan de hele groep of kunnen subgroepen die instructie en oefeningen krijgen die voor hen passend is.

Een student geeft daarbij commentaar over de juistheid van de classificaties van de andere student. Samen kunnen zij daarover discussiëren. Lastige fouten die moeilijk te classificeren blijken, kunnen op een later moment alsnog aan de student worden voorgelegd.