Docenten hebben de merkwaardige opdracht zichzelf overbodig te maken. Natuurlijk niet letterlijk, want er zijn altijd weer nieuwe studenten. Maar we streven naar een situatie waarin onze studenten ons steeds minder nodig hebben. Dit was altijd al van belang, maar nu de maatschappij steeds complexer wordt en de arbeidsmarkt verandert door automatisering en verplaatsing van productiewerk naar het buitenland, is de kennis die studenten op school opdoen nooit genoeg. Daarom is de vijfde en laatste strategie in veel opzichten de belangrijkste — de strategie waar de andere vier strategieën naartoe leiden. Als studenten ‘eigenaar’ zijn van hun eigen leerproces, vallen alle andere strategieën op hun plek. De studenten hebben dan invloed op wat ze leren en ze begrijpen dat docenten erachter moeten komen waar ze in hun leerproces zijn om hen te kunnen helpen. Vragen in de klas, discussies en activiteiten zijn dus niet bedoeld om studenten ‘te betrappen’ op wat ze niet weten, maar om vervolgstappen te bepalen en de studenten daarin te ondersteunen. Hetzelfde geldt voor feedback: als studenten zich verantwoordelijk voelen voor hun leerproces, dan is feedback ondersteuning in plaats van een veroordeling. En dan zijn medestudenten gidsen op hun pad, in plaats van rechters.

Als het erom gaat studenten meer verantwoordelijkheid te laten nemen voor hun eigen werk onderscheiden we drie kernfactoren:

Deze kernfactoren zijn:

  1. Leeractiviteiten verschuiven naar de context van persoonlijke doelen, bijvoorbeeld door het leren op school te koppelen aan ambities voor een bepaalde carrière.
  2. Inspanning koppelen aan succes, door ervoor te zorgen dat studenten een realistische kijk hebben op de succescriteria, erkenning te geven voor dingen die ze goed doen, hen aan te moedigen om proactief hulp te zoeken en ervoor te zorgen dat studenten verbeterpunten halen uit feedback.
  3. studenten betrekken bij de planning van het werk, door ze de mogelijkheid te geven hun werk samen met de leraar te organiseren en hen te laten kiezen uit taken en structuren zoals checklists om het werk bij te houden.

De eerste factor hangt nauw samen met leerdoelen en succescriteria duidelijk maken en de tweede komt terug in feedback geven die het leerproces stimuleert. De derde factor helpt studenten na te denken over hun denkproces en deze aspecten van het leerproces allemaal vallen onder de vlag van het ‘zelfgereguleerde leerproces’. Boekaerts, Maes en Karoly (2005) definiëren zelfregulering als een ‘uit meerdere componenten en meerdere niveaus bestaand proces dat zich herhaalt en zelfsturend is, en dat invloed heeft op iemands cognitie, affecten (emoties) en acties, evenals op de aanpassing van omgevingskenmerken ten dienste van iemands doelen’ (p. 150). Het gaat er vooral om dat bij een zelfgereguleerd leerproces zowel metacognitie als emoties betrokken zijn (Boekaerts, 2006, p. 348).

Gericht op puur het leren gaat zelfregulatie (of zelfgestuurd leren) over leren waarbij men zelfstandig en met zin voor verantwoordelijkheid de sturing voor de eigen leerprocessen in handen neemt (Boekaerts & Simons, 2012). De student mag beslissen over handelingen in het leerproces, subdoelen formuleren en heeft een eigen verantwoordelijkheid in de aanpak en uitvoering, zonder van de hoofddoelen af te wijken (Luken, 2008).

Er spelen drie verschillende leerstrategieën (in combinatie met elkaar) een rol bij zelfregulatie: cognitieve, metacognitieve en motivatie/affectieve leerstrategieën (Kostons, Donker, & Opdenakker, 2014):

  • Cognitieve leerstrategieën gaan over informatieverwerking waarbij nieuwe informatie wordt gekoppeld aan bestaande kennis Hierbij valt te denken aan: herhalen, relateren, concretiseren, toepassen, analyseren, structureren en selecteren.
  • Metacognitieve leerstrategieën spelen zich af op het vlak van kennis over het eigen leren. Het gaat dan vooral om strategieën om het leren aan te pakken (oriënteren, plannen) te monitoren (proces bewaken, bijsturen) of te evalueren (diagnosticeren, toetsen, reflecteren).
  • Motivatie/affectieve leerstrategieën gaan over eigen motivationele en emotionele opvattingen en reacties in relatie tot het leren. Hierbij valt te denken aan: attribueren (toeschrijven van leerresultaten aan iets of iemand), motiveren, concentreren, waarderen, inspannen, omgaan met positieve en negatieve emoties en self-efficacy. Self-efficacy is het geloof in eigen kunnen. Wanneer dit geloof er is zal de motivatie groter zijn en de uiteindelijke prestatie beter zijn (Bandura, 2010).

Zelfregulerend leren is voor studenten ontzettend lastig wordt vaak gesimplificeerd. Je kunt werken aan het zelfregulerend vermogen van studenten door de inzet van diverse technieken en strategieën die hieronder zijn weergegeven.